zoek

AUTEUR

Mark Kinet

BRON

Tekst n.a.v. het gelijknamig kunstparcours met als curator Johan Tahon in ‘Menin Road – Ypernstrasse. Landscape, form and psyche’

Gerelateerde critici & essayisten

Menin Road - Ypernstrasse, Een pijl van kunst op de boog van het front

23/05/2016

Tekst n.a.v. het gelijknamig kunstparcours met als curator Johan Tahon in ‘Menin Road – Ypernstrasse. Landscape, form and psyche’ 

'Welk klokgelui betaamt voor wie vergaan als dieren?' Wilfred Owen 

Pijl en boog 

In ‘Rest Energy’ uit 1980, een van haar beroemdste performances, vormt Marina Abramovic met haar artistieke wapenbroeder Ulay een tweespan. Allebei lichtjes achterover leunend houdt slechts een door beiden vastgehouden en opgespannen boog hen overeind, terwijl Ulay de pijl onafgebroken op Abramovic’s hart gericht houdt. Het is een (zelf)moorddadige omhelzing die wordt volgehouden, terwijl twee microfoontjes hun beider gestaag versnellende hartslag registreren. In haar gevoel duurde dit ondraaglijk spannend evenwicht voor Abramovic een eeuwigheid terwijl het in werkelijkheid slechts vier minuten en tien seconden stand hield. 

Het beeld kwam bij mij op als ik op diverse landkaarten de frontboog zag waarop als met een schietlood over een afstand van 17 kilometer in rechte lijn een weg was getrokken. Van de Menense Ypernstrasse tot de Ieperse Menin Road vormde hij enkele schier oneindige oorlogsjaren lang de strategische spil waarrond zich koortsachtig militaire en logistieke bewegingen afspeelden. Althans als je het vanop grote hoogte (bijvoorbeeld met toen nog onbestaande satellietbeelden) zou bekijken. Weliswaar beschikten beide legers immers voor het eerst over kabelballonnen en konden ook vanuit schroefvliegtuigen luchtfoto’s gemaakt worden die hun officieren extra ogen gaven. Nooit zagen zij echter het volledige plaatje van pijl en boog die van Nieuwpoort tot Armentières een droeve erfenis van ongeveer 1000 vierkante kilometer verwoest gewest zou achterlaten. Net zo min als Duitsers of Engelsen overigens ooit hun uiteindelijk doel zouden bereiken... 

Op een van de locaties van het kunstparcours toont de Iraakse kunstenares Jananna Al-Ani luchtfoto’s van een kaalgeslagen landschap waarop bij wijze van spreken door een lunatieke generaal drie keer WWW is getekend. In een toespeling op World War One en/of op de world wide web vormen ze samen de V van een geheel en al vergeefse Victorie. Want met zijn tien miljoen militaire doden, zijn legendarische slachtpartijen in Verdun, aan de Somme en in Passendale bij Ieper staat de eerste wereldoorlog bij winnaars èn verliezers geboekstaafd als een ongezien grootschalige en zinloze verkwisting van half benutte levens. Over 800 kilometer frontlijn van de Zwitserse grens tot de Belgische kust, vormt een opgeofferde generatie een ‘berg van menselijk schroot’ (Wilfred Owen) of een reusachtig graf als een ‘tombe van de schande en de zonde’ (Siegfried Sassoon). 

Op de voedingsbodem van sinds decennia toenemend nationalisme en patriottisme had de moord op de Habsburgse troonopvolger, aartshertog Franz Ferdinand, en diens echtgenote mits voldoende ‘politieke wil en moedwil’ (Sophie De Schaepdrijver) een dwaas domino-effect van oorlogsverklaringen veroorzaakt. Een conflict over een boerenprovincie op de Balkan ontaardde zo tot een oorlog die voor het eerst op industriële schaal en wijze werd gevoerd en waarin 121 hedendaagse landen betrokken raakten. Want misschien meer nog dan namen en verhalen werd deze oorlog er een van tot de verbeelding sprekende cijfers. Voor het eerst waren hoeveelheid en aard van de wapens ook veel belangrijker voor de afloop dan het aantal manschappen. Op het slagveld beleefde men de droevige première van miljoenen granaten en ander artillerievuur, van mitrailleurs, van vlammenwerpers, tanks en gifgas, terwijl voor het eerst ook duikboten toesloegen en roekeloze piloten in en vanuit het luchtruim de vijand te lijf gingen. 

De beiderzijdse legerleiding ontpopte zich bij dit alles tot een soort managers van de dood en berekende met boekhoudkundige precisie de dagelijkse tol aan piotten en pionnen. Ze hielden zich daarbij ver weg van de etterende darmen van de wereld. Ze bleven buiten het schot van de zigzag van loopgraven, ontliepen de metalen struiken van prikkeldraad. Het gezelschap van ratten en vlooien, maar ook de geneugten van kou, constante nattigheid, schurft en slijk werden hen bespaard. Hun oren bleven buiten het bereik van soldatenkreten. Evenmin werd hun neus belaagd door de afschuwelijke stank van rottende lijken en latrines, die nauwelijks werd verholen door de welhaast even akelige geur van respectievelijk calciumoxides of –chloriden. Nu en dan streelden ze teder de ivoren kolf van hun officiersrevolver. Hij lag ongebruikt en ongeschonden naast hen te glanzen, die talloze nachten van hardnekkig dromen over heuglijk voorpaginanieuws zoals de definitieve opmars van hun troepen. 

Nooit meer oorlog 

Staat in vier talen op de voet van de Ijzertoren te lezen. Het is ook de titel van het in zijn Menense geboortehuis tentoongestelde beeldhouwwerk van Georges Dobbels. Het vertoont grote thematische en stilistische verwantschap met het treurend ouderpaar of met de Berlijnse ‘Neue Wache’ waarmee Käthe Kollwitz het verdriet om haar gesneuvelde zoon Peter vereeuwigde. Geheel in deze lijn is er het eenvoudige kindergebed door Claire Fontaine in Neon geschreven in het Oud Gemeentehuis van Geluwe: ‘Please god make tomorrow better’. Of de nutteloze richtingaanwijzer naar overal en nergens waarop in drukletters: ‘Ga weg leed van de wereld’. Het Gents kunstenaarsduo Robbert en Frank/Frank en Robbert hebben de 8 meter hoge paal met deze bezwerende boodschap opgetrokken vlakbij de plaats waar de befaamde mijnenoorlog plaats vond. Tunnels tot 600 meter lang werden toen tot onder de Duitse linies gegraven. Het kwam tot gigantische explosies met vuurkolommen (‘geisers uit de hel’ – Siegfried Sassoon) tot 100 m hoog. Hun impact was zo groot dat de resulterende aardbevingen tot in het zuidoosten van Engeland werden opgemeten. 

Honderd jaar later hebben deze oproepen voor velen iets hopeloos voorbijgestreefd. Sindsdien was er immers de nog zoveel dodelijker tweede wereldoorlog met zijn menigvuldige misdaden tegen de menselijkheid. Nietzsche (wiens ‘Also sprach Zarathustra’ door Keizer Wilhelm onder de Duitse troepen werd verspreid) had God wel al dood verklaard. Maar pas Elie Wiesel vertelt hoe God in Auschwitz daadwerkelijk voor de rechter werd gedaagd en na een correcte procesgang inclusief openbare aanklager en advocaat tot de doodstraf werd veroordeeld. 

In het In Flanders Fields Museum te Ieper hangen alle oorlogsconflicten die de voorbije 100 jaar plaats vonden chronologisch opgehangen middels vlag en wimpel. Vandaag is oorlog in zekere zin world wide, geglobaliseerd. Volgens cultuurfilosoof Lieven De Cauter evolueren we naar een entropisch Mad Max imperium met overal haarden van chaos en geweld. We kunnen sinds de War of/on Terror tot in onze stadskernen of dorpsstraten door oorlog worden getroffen. 

Volgens Steven Pinker (in ‘The Better Angels of Our Nature’) zou er sinds WOII nochtans een gestage daling zijn van het aantal oorlogsdoden. Door globalisering en digitalisering is er meer contact tussen verschillende naties en culturen. Ze leidt tot toename van inclusie en het verwijden van morele betrokkenheid die zich zelfs uitbreidt naar onze broeders en zusters de dieren. We kennen ook de beroemde uitspraak van Rinus Michels: ‘Voetbal is oorlog’. De op mondiaal vlak toegenomen populariteit van diverse sporten wordt wel eens met gedaald oorlogsgeweld in verband gebracht. Vrij naar Freud is de beschaving begonnen van zodra met scheldwoorden in plaats van met stenen naar elkaar werd gegooid. Voor het kleinste kind zijn hand en duim of twee onnozele stokjes voldoende om een vuurwapen te symboliseren waarmee het zich zonder erg in immer zo courante aleatische ofte oorlogsspellen kan vermeien. 

Landschap en geheugen 

Elk landschap draagt de sporen van het verleden. Het kan zoals de jaarringen van een boom worden gelezen als stille getuige van vroegere klimaat- en andere omstandigheden. Bergen, duinen of valleien fungeren als een ‘index’ (C.S. Peirce) zoals rook voor vuur of een gebroken tak voor een voorbijganger. Hun vormen spreken en als we goed luisteren horen we hun geschiedenis weerklinken. Zeker vanaf de agrarische revolutie is het vooral de mens die veel meer nog dan de elementen zijn stempel op het landschap heeft gedrukt. 

Toen de Duitsers en de geallieerden aan de wedloop naar de kanaalhavens begonnen en vooraleer de polders werden blank gezet kenmerkte de Westhoek zich door een coulissenlandschap van bomenrijen, bosjes, houtkanten en hagen. Het speelde aanvankelijk een belangrijke rol in het uitstippelen van militaire strategie en maneuvers. Ook de nochtans minieme hoogteverschillen waren om strategische redenen en ten koste van massale verliezen de inzet van verbeten strijd om elke morzel grond. Tegen het eind van de oorlog wordt het landschap in een Engelse soldatenbrief vergeleken met de Sahara. Wie kent niet de levenloze woestenij die staat afgebeeld op het monumentale schilderij (1.83 x 3.17 m) van Paul Nash met als titel ‘The Menin Road’? In de woorden van T.S. Eliot uit ‘The Waste Land’: ‘...A heap of broken images, where the sun beats/And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief’. In het Oud-Gemeentehuis van Geluwe toont Mario Debrabandere een fragment van zo’n post-apocalyptisch landschap. Door een raam van modderspatten biedt zijn schilderij een ansicht waar een dode boom alle vogels heeft verbannen en een giftige poel alle vissen heeft laten stikken. 

Heel wat tentoongestelde werken zoeken de open lucht op of treden met omgeving of landschap in dialoog. Zo lopen langsheen de 17 kilometer kunstparcours bijvoorbeeld twee rode draden. Het Parijse architectenduo Gillot + Givry trekt in totaal vier modules op van ongeveer 2 op 2 meter. Hun uitgepuurde vorm belichaamt zuiverheid en intimiteit. Ze zijn wit en herbergzaam als schelpen waarin je de ruisende adem van geesten kan beluisteren. Ze werden her en der geplaatst als breekbare bunkers voor de kunst, terwijl verzen van Peter Verhelst hun poëtische toets vervolledigen. We mogen niet vergeten dat er onder deze streek van oorlogsmonumenten en soldatenkerkhoven een knekelveld ligt. Nevels herinneren er aan gaswolken, kratervijvers aan ontplofte mijnen of onzichtbare granaten, door merg en been gaat er het geschreeuw van de meeuwen. Vrij naar Wilfred Owen ‘doolden in dit moeras van vlees soldaten zonder kompas. Ze trapten bloed uit longen die van lachen hielden’. 

Beginnend aan de ingepakte molenromp in Geluveld tekent Bart Lodewijks gedurende enkele dagen met schoolkrijt op gevels van huizen. Hier en daar glipt hij zelfs bij hun bewoners binnen. Reeds van tijdens zijn lagere school periode tekent hij met krijt. Eens volwassen trok hij opnieuw de straat op voor een stuk wellicht uit heimwee naar zijn eigen krijttijd. Zijn krijtstrepen strelen broos en liefdevol. Ze bevatten gramschap noch graffiti. Ook onderwerpen ze zich nederig aan de regen. Ze vinden in wat voorbij gaat vrede. 

In een hooiweide staat ‘The Bermuda Triangle is a Fraud’ van Steve Schepens opgesteld. Het is een ruim drie meter hoog driehoekig en geheel onbruikbaar bouwwerk met drie deuren waardoor je amper binnen noch buiten kunt. Je komt er vooral noodlottig in vast te zitten: een Esscheriaanse combinatie van doodlopende straat en straatje zonder eind. Nog in die buurt laat Cosco (Louis De Cordier) beton gieten in een stuk loopgraaf die vervolgens als een brute totempaal wordt rechtgezet. Uit de aarde verrezen steekt hij als het ware zijn dikke middelvinger op. In het Kasteelpark van Geluveld positioneerde ook Renato Nicolodi een van zijn typische bouwsels. Tegelijk monumentaal en gedrongen is het de samentrekking van een minitoren, een bunker, een sokkel en een sarcofaag voor al wie liep van de loopgraaf naar het graf. 

Warum Krieg? 

Is de titel van een gelegenheidsgeschrift van Sigmund Freud uit 1932. Tegenover Max Eitington noemt hij deze open brief een ‘zogezegde discussie met Albert Einstein’ en zelfs ‘vervelend en steriel’. Hij legt er de verantwoordelijkheid bij onze doodsdrift (thanatos) die immers destructiedrift wordt van zodra hij naar buiten wordt gericht. Elders hoeft hij niet eens beroep te doen op wat hij zijn ‘driftmythologie’ noemt. Ook wanneer alle economische onrecht zou zijn uitgeroeid blijft er strijd woeden rond bijvoorbeeld status, macht of aanzien. Dat inzake liefde en seksualiteit ongelijkheden onverminderd blijven voortbestaan was het verder verloop van zijn antwoord op Marx. In de gevleugelde woorden van Hongaars psychoanalyticus Leopold Szondi ‘Kain regiert die Welt’. 

Reeds volgens Nietzsche is de mens een ziek dier. Hij is niet een maar twee met de natuur. In zijn hoofd wemelt het van conflict en tegenspraak. Goed en kwaad, constructie en destructie vechten er om de bovenhand. Hij heeft iets goddelijks èn iets duivels in het diepst van zijn gedachten. Ook neurowetenschappelijk gezien is onze hersenpan een vat vol tegenstrijdigheden. De hersenstam 

van de reptielen, het limbische systeem van de zoogdieren en onze menselijke neocortex maar ook linker en rechter hersenhelft liggen onvermijdelijk en in min of meerdere mate onderling in oorlog. In de woorden van de betreurde Patricia De Martelaere tenslotte: ‘De vreemdheid begint niet met de anderen. Wij zijn vreemd voor onszelf. Wij zijn voor onszelf een ander –of, veel erger nog: vele anderen. Sartre heeft gelijk wanneer hij zegt: l’enfer c’est les autres. Alleen zitten de anderen ook in onszelf. De hel is zodoende overal’

Maar je hoeft het allemaal niet eens zo ver of zo diep te zoeken. ‘Als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog’ zegt de pragmatische politicus. En bestaat er ook niet zoiets als een ‘Just War’? Wie meent werkelijk dat je de Nazi’s of IS gewoon moet laten betijen? 

War does not determine who is right. Only who is left’ is een uitspraak die doorgaans aan Bertrand Russell wordt toegeschreven. In elke oorlog is bovendien de waarheid het eerste slachtoffer. In het Oud gemeentehuis van Geluwe ligt een multipel van Bruce Nauman. Het is een in zwarte graniet uitgehouwen zerk waarop in plechtstatige letters ‘Partial Truth’. De waarheid is althans ten dele ten grave gedragen. Of ze heeft het net zomin als haar slachtoffers overleefd. Het is van gelijkaardige strekking als de beeldengroep die op de binnenkoer van het Menens Stadhuis heeft post gevat. Onder de titel ‘Schlock of Glory’ (vrij vertaald: glorieuze brol) tonen Böhler & Orendt er een persiflage op de naoorlogse heldenverering. ‘L’étoffe des héros est un tissu de mensonges’ zei Jacques Prévert. De stof waarvan helden zijn gemaakt is een weefsel van leugens. Dergelijke schone schijn wordt ‘blown to bits’ door de honderden rondvliegende shrapnelkogels en metaalscherven van een vlak bovengronds ontploffende granaat. Fonteinen van bloed stromen uit de hals van onthoofde hoge pieten of uit ledematen die door de legerartsen aan de lopende band werden geamputeerd ‘en saucisson’. 

Goed en kwaad 

De mens is een dier, maar is hij ook een beest? Volgens Emanuel Kant bestaat er in hem een natuurlijke neiging tot het slechte. Hij kan bewust morele principes naast zich neerleggen omdat hij ze ondergeschikt stelt aan zijn eigen geluk. Ziedaar de gemiddelde of middelmatige mens. Hij doet niet alle goed dat hij zou kunnen doen. Desalniettemin is hij overtuigd van zijn eigen goedheid. Hij heeft geen last van zijn geweten. Vrij naar Paul Auster: ‘Slechts rechtschapen mensen twijfelen aan hun eigen goedheid; dat is de reden waarom ze goed zijn’. 

Er zijn andere minder vaak voorkomende vormen van het kwaad. De smeerlap doet bijvoorbeeld kwaad voor zijn eigen goed. De boosaard doet kwaad louter en alleen omwille van het kwade. Ook dus wanneer het niet in zijn belang is. De sadist put uit het kwade een genot. Vooral sinds de sociale experimenten van Stanley Milgram kennen we een extra categorie: de onverantwoordelijke, de gehoorzame, de functionaris of de agent. Hij voert slechts bevelen uit ook wanneer deze bij de ander pijn, schade of zelfs de dood veroorzaken. Hannah Arendt zag deze variant in de persoon van Adolf Eichmann. Hij belichaamde voor haar de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Op tijd en stond zoeken we allemaal ‘dekking’: ter procreatie zowel als ter verdediging tegen predatoren. In de groep kunnen we ons daarbij laten leiden door de heersende mening of de mening van wie heerst. Het is het geloof in de groep of haar leider: een fascinerend imago dat ons toelaat onze twijfels en verdeeldheid te ontlopen of te miskennen. Elke ideologie of religie zorgt voor een eenheid van denken waarrond de kudde zich kan verzamelen en waarvoor eenieder zich kan/wil opofferen. Maar als we (te veel) zekerheid vinden in dit goed kan het omslaan in een kwaad. Wie dit goede waar wil maken vernietigt immers wat dit goed in de weg staat. Een van de zoveel Heilige Oorlogen kan dan het gevolg zijn. De vijand wordt gediaboliseerd en er is alleen nog plaats voor partijdigheid. Wie houvast zoekt en zich inbeeldt in het bezit te zijn van de waarheid creëert altijd en per definitie een imaginaire vijand. Deze moet (mond)dood gemaakt worden, verketterd, verbannen of verslagen. 

Elke groepsidentiteit zorgt voor een wij-zij gevoel. Een van de gevaarlijkste gevolgen is morele uitsluiting. Morele en menselijke rechten worden aan de Ander onttrokken We zijn hem respect noch rechtvaardigheid verschuldigd. Moraal is alleen geldig binnen onze eigen groep. In zijn ‘The Anatomy of Human Destructiveness’ gaat Erich Fromm verder door op dit groepsnarcisme. In een allusie op Freud’s doodsdrift zou het gepaard gaan met een figuurlijk op te vatten necrofilie. Hij bedoelt hiermee een alomtegenwoordige voorliefde voor de dood of meer algemeen een fascinatie voor al wat inert, mechanisch, levenloos is. 

De mens is en blijft een (kudde)dier, ook al wordt hij radicaal door de taal gedenatureerd. Zo ontdekte een Amerikaanse computeranimator drie basisregels ter verklaring voor collectief gedrag (een zwerm spreeuwen): blijf zo dicht mogelijk bij je buur, pas je snelheid aan en beweeg mee in de richting van de meerderheid. De collectiviteit van de groep wordt blijkbaar beheerst door een streven naar veiligheid. Paradoxaal gaat deze kracht die mensen samenbrengt echter hun individueel zelfbehoud voorbij en levert ze hen over aan een dodelijke eenheid, waarbinnen ze als individu verdwenen zijn. De meest gewone lieden kunnen onder invloed van ‘het systeem’ tot meedogenloze instrumenten worden van een anonieme grootmacht. In zijn beroemde speech uit 1943 vraagt Goebbels zijn publiek of zij bereid zijn 18 uur per dag te werken, alle comfort te missen, allerlei pijn en ontbering te trotseren en zich te engageren in een Totale Oorlog. 20000 Duitsers roepen fanatiek en als uit één borst: ‘Ja! Ja! Ja!’ 

Elke efficiënte groep of organisatie heeft nood aan een dergelijk leger van gehoorzame individuen die zich met de taak van de groep identificeren. Maar anderzijds is er ook een tegenkracht nodig die de groep en de leden tegen beestachtigheid beschermt, namelijk een samengaan van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Het is de hygiënische noodzaak van meningsverschil en dissidentie die wellicht bij uitstek wordt geboden door de verontrustende kunstenaar en de veronzekering van de kunst. Zij zijn wezenlijk subversief en divergent. In de beroemde woorden van Rainer Maria Rilke trekken ze ten strijde tegen de ‘legers van de werkelijkheid’ tot meerdere eer en glorie van het subject. Al keert hun werk ook terug naar deze werkelijkheid en oogst het er zelfs in min of meerdere mate erkenning of succes. 

In het Ieperse Huize Sint-Jozef maakte Ingrid Mol een installatie ‘Wachtend op Snijders komst’. In een slaapzaal wachten de soldaten af of hun generaal ze al dan niet naar het oorlogsfront zal sturen. Hun gelaat verraadt nauwelijks emotie. Ze hebben iets van de robot uit ‘A.I.’ van Steven Spielberg. Ze lijken wel gecloond. Poppen uit een computeranimatiefilm die recht van het doek naar hun stapelbedden zijn verhuisd. Willoos kanonnenvlees in de handen van wie aan de touwtjes trekt. 

Kinderen van de oorlog 

Sommige deelnemende kunstenaars maakten de Groote Oorlog mee of hebben er zelfs in gediend: 

Wilhelm Lehmbruck, Rik Wouters, Max Beckmann die allen in het Menense Schippershuis zijn vertegenwoordigd. De laatste was bijvoorbeeld als hospitaalverpleger in Wervik gestationeerd: een levendig grensstadje in de Leievallei vol Duitse soldaten, opslagplaatsen, veldhospitalen en troepenkwartieren. Aanvankelijk vond hij het prettig in de loopgraven rond te kuieren en heeft hij ‘...ein wildes, fast böses Lustgefühl, so mitten zwishen Tod und Leben’. Ook schrijft hij in een brief dat zijn kunst er te eten krijgt. Welke kunstenaar zoekt dan ook niet op tijd en stond de/zijn afgrond op? Moet hij de veilige conventie niet verlaten om kansen te bieden aan inventie? Om tot oorspronkelijke ideeën te komen en/of een eigen idioom te ontwikkelen? 

Schoonheid schoonheid heeft volgens Lucebert haar gezicht verbrand. Terwijl schoonheid voor Emanuel Kant een orde of noodzaak bevat, zit er in het thans meer vigerende sublieme iets van stoornis en wanorde. Het bevat geweld. Het is angstaanjagend en aangenaam tegelijk. Het bevat een traumatiserend element dat de sereniteit van de voorstelling verstoort. Het beeld is in alarmtoestand of de voorstelling is ‘zwanger van onheil’ (Michael Borremans). Het zorgt voor een kortsluiting in de verbeelding of het kondigt de ‘aanvang van het verschrikkelijke’ (Rilke) aan. 

Thierry De Cordier werkte speciaal voor deze tentoonstelling een naargeestig zelfportret als regenworm af. Bij mijn weten heeft het niets met de eerste wereldoorlog te maken, maar het roept zeker verwante associaties op. Ten eerste waren veel piotten als duizenden pieren die in loopgraaf, mangat of mijnengang leefden en het leven lieten In de woorden van rederijker Anthonis De Roovere moesten zij willens nillens ‘gaen danssen ter mollen feeste’. Maar er zijn ook futuristische resonanties. Zo is het wormgat een astrofysische verschijnsel dat veelvuldig in science-fiction wordt gebruikt als mogelijkheid om sneller dan het licht of dus in de tijd te reizen. In metaforische zin kunnen we geheel de Westhoek in die laatste zin als een wormgat beschouwen. Menig kunstenaar bouwt en ondergraaft tegelijk. Zo zie ik bijvoorbeeld de zwart-wit foto van Thierry De Cordier uit 1986 voor mij waarbij hij kunst staat te putten uit zijn ondergrondse ‘Usina’. 

Nog op dezelfde locatie zien we een ‘puppet on a string’ van de New-Yorkse Kiki Smith. Het is een collage van fragmentarische beelden waarbij je je voelt overgeleverd aan primitieve en bloeddorstige woede of aan een diabolische en ontmenselijkende gruwel. Bill Woodrow toont een ‘Toys for boys’. Het is een stoel waarop je niet kunt zitten, noch rusten. Hij is koud en kil, verwijst naar pijnbank en electrocutie. Eens gezeten blijf je er fataal op vast gekluisterd. Gerhard Altenbourg was een poëtische schilder en getraumatiseerd door de tweede wereldoorlog. Hij toont als het ware een/het gezicht van de oorlog: verweerd, verpletterd, weggeveegd. Als het zweetdoek waarop Christus wat nog van zijn gelaatstrekken overbleef heeft achtergelaten. 

Op de zolder van het schoolhuis in Geluveld bots je plots op het opgehangen hoofd van een reusachtige barbaar. Deze zwarte ‘Bad man’ van Edward Lipski is kolossaal, tegelijk dreigend en indrukwekkend, volledig met ontelbaar mensenhaar bedekt. Hij lijkt wel een kruising tussen de pulp fiction van Batman en King Kong en een held uit de Trojaanse Oorlog. Zijn blik is merkwaardig ingetogen: geslagen en verslagen. 

Ook (klein)kinderen van de streek of van de oorlog tekenen present. Simpel en krachtig het samengeraapte of inderhaast geïmproviseerde kruis van Lionel Debussche, een vroegere leermeester van curator Johan Tahon. Er is de fleurige en biomorfe sculptuur van Henk Delabie. Erwin Keustermans doet in een installatie van tekeningen een persoonlijk verhaal waarin hij zoals de toenmalige futuristen de dynamiek en het dynamiet van het front tracht te vatten. Op een ervan prijkt een dame met een halssnoer van soldatenzerkjes. Het lijkt wel een web van dood en prikkeldraad van waaruit ze ons aankijkt met doordringende ogen. Haar blik werkt hypnotiserend en angstaanjagend. 

Oorlog en trauma 

Amper enkele jaren geleden was er met als titel ‘Oorlog en trauma’ een parallelle tentoonstelling in het In Flanders Fiels Museum Ieper en het Museum Dr Guislain te Gent. Oorlog is het gevolg van de projectie van een innerlijk gevaar op een vermeende vijand. Bij projectie zien we in onze tegenstanders wat we ontkennen in onszelf. Meer in het bijzonder gaat het dan vaak om primitieve en destructieve krachten. Hoe minder we ons innerlijk emotioneel leven (er)kennen, hoe krachtiger de projectie en hoe primitiever de impulsen. Oorlog zet individuen en maatschappijen er toe aan te vernietigen om te overleven. De vijand wordt ervaren als een kracht die ons liefdesobject vernietigt. Daarom zien veel mannen oorlog als een plicht en wordt oorlog door hen beschouwd als een waarde. We moeten bereid zijn te sterven opdat onze geliefden zouden leven. Oorlog is dan ook ambigu. Ze behelst de ervaring van liefde want ze is gebaseerd op de onteigening van slechte of destructieve aspecten van ons zelf die worden geprojecteerd op de vijand . Deze wordt vervolgens beschouwd als vernietiger van de (ge)liefde. 

Het trauma (Grieks voor wonde) is een gebeurtenis die zich kenmerkt door haar overrompelende intensiteit en de onmogelijkheid van het subject er adequaat op antwoorden. De beschermende oppervlakte van de psyche wordt zoals de huid doorboord en de traumatische ervaring blijft als een vreemd voorwerp zijn versplinterende werking uitoefenen. In de Franse wordt wel eens gesproken van trou-matisme in plaats van traumatisme. Het trauma slaat als het ware een krater. Het neemt de vorm aan van een gat. In een woordspeling had filosoof Marc de Kesel het meer in het bijzonder over ‘Du trou: ‘x’. Met x = een algebraïsche onbekende. Het is een gat zonder naam. We kunnen er met woorden en beelden proberen bij te geraken maar komen bij wijze van spreken niet verder dan draaien rond de pot. Het trauma is per definitie met pen noch penseel te beschrijven. We raken het hooguit tangentieel of tentatief, zijn het zodoende (vaak zonder het te weten) niet aan het vullen maar aan het dichten

The mind is in itself a place/And by itself kan make a heaven of hell/A hell of heaven’ zegt John Milton ergens in zijn ‘Paradise Lost’. Je hebt de letterlijke, maar ook de figuurlijke oorlog. En er is niet alleen de uitwendige, maar ook de inwendige die allemaal evenzeer traumatiserend kunnen werken. Van in onze oertijd heeft zich diep in ons een animistische wereld gevestigd. Het is het Fantasialand van feeën en feeksen maar ook het Dantesk universum dat wordt afgebeeld in de schilderijen van Hieronymus Bosch. In de ‘Narrative of a child analysis’ van Melanie Klein die in 1941 postuum werd gepubliceerd lezen we het woordelijk verslag van een speltherapie van de 10 jarige Richard. Over vier maanden gespreid had ze met hem 93 sessies van 50 minuten waarin hij angstig de oorlogsontwikkelingen besprak die hij op de voet in de geschreven en gesproken pers volgde en waaromtrent hij tientallen tekeningen maakte. Zeer overtuigend analyseert ze zijn angstige bekommernissen als de uitdrukking van allerlei onderling botsende seksuele en agressieve gevoelens en fantasieën ten aanzien van beide ouders afzonderlijk en als koppel. 

Min of meer bewust zijn we allemaal op tijd en stond ten prooi aan innerlijke conflicten. Het onderscheid tussen normaal en abnormaal houdt op in onze slaap. Dan dromen we immers dezelfde verboden, onmogelijke, krankzinnige, perverse of criminele dromen. Vrij naar Eugène Ionesco: ‘Religies en ideologieën scheiden ons, dromen en nachtmerries houden ons samen’.

Alexander Tinei (die twee grote schilderijen in het Stadhuis van Menen laat zien) citeert ergens  Otto Dix: ‘All art is exorcism’. Het zijn raadselachtige portretten, bevreemdend en intiem, waarbij de menselijke figuur wordt afgebeeld in vlakke naar het grijs toe neigende tonen. Het zijn desolate, geïsoleerde wezens en zijn thema is eerder een existentieel dan een emotioneel ‘Ecce homo’. Philippe Vandenberg is zoals steeds nadrukkelijk aanwezig. In zijn ‘La folie ne fait pas d’oeuvre’ citeert hij Georges Braque: ‘L’art est une blessure qui devient lumière’. De kunst is een kwetsuur die licht geeft. En niet alleen oorlog vergt mensenlevens. Ik citeer de kamikaze kunstenaar zelf: 

‘Une oeuvre, c’est toujours une vie. Elle coûte une vie humaine’. 

In het Oud Gemeentehuis van Geluwe is er de ingetogen sereniteit van de knielende figuur van Georges Minne. Hij raapt zichzelf samen, sluit zichzelf in de armen. Tegelijk kinderlijk onschuldig als geknecht en vernederd zijn gekrompen geslacht. In de buurt de ‘Uff’ van Juan Munoz. Het is het geluid dat deze sukkelende Atlas produceert terwijl hij zich amper recht kan houden, helemaal geabsorbeerd door een wereld die hij maar niet krijgt opgetild. Hij moet zich gewonnen geven maar hij geeft niet op. Hoe fel contrasteren deze beelden met de doeken van Bart Baele in de Menense St Franciscuskerk. Duister, dwingend, achtervolgend en wanstaltig lijken ze louter en alleen opgeborreld uit een door geweld en apocalyptische visioenen getormenteerde psyche. 

Vooraleer te besluiten met de integratieve apotheose van Eva Kotatkova’s installatie in het In Flanders Fields Museum is het goed in Ieper Huize St Jozef te bekijken. Yumiko Yoneda plaatste er pleisters van 1 meter diameter op de gevel. Net zoals het krijt van Bart Lodewijks brengen ze verzoening en vrede. Ze zijn concaaf en dus geschikt om de meest uiteenlopende inhoud te bevatten. 

Onder het motto ‘Penser et panser’ is het zaak de terreur, de rechteloosheid, de gedwongen scheiding en verlies, de willekeur, de wreedheid en de ontmenselijking van oorlog en trauma te (ge)denken en te zalven. Het is gepaste repliek op ‘gespogen grootspraak, gebalde vuist, heldhaftige palaver’ (Robert Graves). Zeker ruim 100 jaar nadat anderhalf miljoen landgenoten, zijnde een kwart van de toenmalige bevolking, plotseling vluchtelingen werden naar het noorden...